Uitspraak
200201024/1, betreffende de weigering van het college appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor een woning op het perceel.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad heeft appellant gelast een paardenbak, twee woonwagens en een varkenskot/schuur te verwijderen wegens het ontbreken van een bouwvergunning. Het besluit tot handhaving werd deels ingetrokken en de begunstigingstermijn verlengd, maar het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard door de voorzieningenrechter.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet als overtreder kon worden aangemerkt en voerde een beroep op het gelijkheidsbeginsel, maar deze standpunten werden buiten beschouwing gelaten omdat ze niet eerder waren ingebracht. Vast stond dat voor de woonwagen en schuur geen bouwvergunning was verleend, waardoor het college bevoegd was tot handhavend optreden.
De Raad overwoog dat handhaving in beginsel verplicht is bij overtreding van wettelijke voorschriften, tenzij bijzondere omstandigheden zoals uitzicht op legalisatie of disproportionaliteit aanwezig zijn. Omdat geen uitwerkingsplan was vastgesteld en het bestemmingsplan een bouwverbod inhield, bestond geen concreet uitzicht op legalisatie. Ook het beroep op overgangsrecht en eerdere aanwezigheid bood geen rechtsgeldige grondslag.
Het college was bovendien niet bereid vrijstelling te verlenen, wat niet onredelijk werd bevonden. Het betoog van appellant dat het college het recht op handhaving had verwerkt wegens langdurig niet-handhaven, faalde eveneens. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhavingslast blijft in stand.