Uitspraak
200306293/1 en 200308095/1.
Raad van State
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft het Victoria Hotel in Amsterdam aangewezen als beschermd monument op grond van de Monumentenwet 1988. Appellante, de commanditaire vennootschap Victoria Hotel C.V., maakte bezwaar tegen de aanwijzing, met name tegen de bescherming van de latere uitbreiding aan de Prins Hendrikkade en delen van het interieur die niet expliciet in de omschrijving waren vermeld.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State. Appellante voerde aan dat de aanwijzing zich niet had mogen uitstrekken tot de latere uitbreiding, dat de bescherming van het interieur te ruim was, en dat de aanwijzing in strijd was met het evenredigheidsbeginsel vanwege de vergunningenlasten.
De Raad van State oordeelde dat de latere uitbreiding bouwkundig en functioneel één onlosmakelijke eenheid vormt met het oorspronkelijke hotel en daarom terecht is beschermd. De bescherming van het interieur is gebaseerd op artikel 3:4 BW Pro, waarbij onderdelen die onlosmakelijk verbonden zijn met het monument ook beschermd zijn, ook als ze niet expliciet genoemd zijn. Het evenredigheidsbeginsel is niet geschonden omdat de aanwijzing niet betekent dat ingrijpende wijzigingen onmogelijk zijn, en de belangenafweging bij vergunningverlening plaatsvindt.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanwijzing van het Victoria Hotel als beschermd monument wordt bevestigd.