Uitspraak
200100171/1heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, het daartegen door de Staatssecretaris ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Raad van State
Appellanten hadden aanvragen ingediend voor een tegemoetkoming in schade veroorzaakt door extreem zware regenval in oktober 1998, welke door de Staatssecretaris en later de Minister geheel of gedeeltelijk werden afgewezen omdat de percelen buiten het vastgestelde schadegebied vielen.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten in eerste aanleg gegrond en bepaalde dat de aanvragen opnieuw beoordeeld moesten worden. De Minister handhaafde echter de afwijzingen, waarna de rechtbank in 2006 deze beroepen ongegrond verklaarde. Appellanten stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de Minister terecht het schadegebied had begrensd en dat de gestelde schade niet het directe gevolg was van de regenval binnen het schadegebied. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn van behandeling van de zaak, die ruim acht jaar duurde, was overschreden zonder dat dit door procesgedrag van appellanten was veroorzaakt.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de besluiten van de Minister vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen van die besluiten in stand bleven. Tevens werd het onderzoek heropend om een uitspraak te kunnen doen over een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De besluiten van de Minister zijn vernietigd wegens overschrijding van de redelijke termijn, het onderzoek wordt heropend voor vergoeding van immateriële schade.