ECLI:NL:RVS:2008:BG6945
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling mvv-vereiste en advies BMA bij verblijfsvergunning voor kind zonder vrijstelling
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van vreemdelingen tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd had gegrond verklaard. De vreemdelingen betoogden dat het mvv-vereiste niet op het kind van toepassing was, omdat het kind in Nederland was geboren en mogelijk de Nederlandse nationaliteit bezat. De staatssecretaris handhaafde het besluit en baseerde zich op het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA).
De Raad van State oordeelde dat het kind niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste zoals opgenomen in artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De stelling dat het kind de Nederlandse nationaliteit bezit werd verworpen wegens gebrek aan objectief verifieerbare stukken. Tevens werd bevestigd dat het BMA geen adviseur is in de zin van artikel 3:5 van Pro de Awb, maar dat de staatssecretaris wel van het advies mag uitgaan indien dit onpartijdig en objectief is.
De Raad van State verwierp het beroep van de vreemdelingen dat het advies van het BMA onvoldoende zou zijn en dat de belangen van het kind onvoldoende waren meegewogen. De hardheidsclausule werd niet van toepassing geacht. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard.
De uitspraak benadrukt de zorgvuldige afweging van medische adviezen en het belang van objectieve onderbouwing bij vrijstellingsverzoeken van het mvv-vereiste, evenals de toepassing van het IVRK binnen de nationale vreemdelingenwetgeving.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het mvv-vereiste wordt toegepast zonder vrijstelling.