ECLI:NL:RVS:2009:BJ6896
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs schending artikel 3 EVRM bij overdracht aan Griekenland
De Raad van State behandelde het hoger beroep tegen de afwijzing van asielaanvragen van vreemdelingen die op grond van de Dublinverordening aan Griekenland zouden worden overgedragen.
De vreemdelingen stelden dat zij bij overdracht aan Griekenland het risico liepen op detentie onder onmenselijke omstandigheden, in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Zij verwezen naar rapporten van mensenrechtenorganisaties en interim measures van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De Afdeling overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt: lidstaten mogen ervan uitgaan dat andere lidstaten hun internationale verplichtingen naleven, tenzij concrete aanwijzingen het tegendeel bewijzen. De ingebrachte stukken boden geen concreet bewijs dat Griekenland systematisch onmenselijke detentie toepast jegens overgedragen asielzoekers.
Hoewel detentie bij het vliegveld in Athene mogelijk is en de omstandigheden niet ideaal zijn, is niet aannemelijk gemaakt dat deze omstandigheden een schending van artikel 3 EVRM Pro opleveren, mede gelet op de korte duur van de detentie en de kwetsbaarheid van de minderjarige kinderen.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep, waarmee de afwijzing van de verblijfsvergunningen werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunningen wordt bevestigd.