Uitspraak
200702502/1) ziet artikel 12, tweede lid, aanhef, onder e, van de Wrb tevens op het geval dat rechtsbijstand is verzocht ter zake van een rechtsbelang dat voortvloeit uit een niet langer uitgeoefend zelfstandig beroep of bedrijf. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de procedure waarvoor de rechtsbijstand is gevraagd, te weten een procedure tot wijziging van de tenaamstelling van het kenteken van de auto van het voormalige bedrijf, voortkomt uit de afwikkeling van verplichtingen in verband met de ontbinding van de vennootschap. Het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, betreft dan ook een belang dat voortvloeit uit een niet langer uitgeoefend beroep of bedrijf waarop artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb voornoemd tevens ziet. Dat [appellant] zoals hij in dit verband heeft aangevoerd, met de te voeren civiele procedure beoogt niet langer aansprakelijk gesteld te worden voor onder meer verkeersovertredingen en te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling betreft niet het rechtsbelang waarvoor rechtsbijstand is gevraagd maar is daarvan een afgeleide, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.
200102114/1), volgt uit jurisprudentie van het EHRM, onder meer de zaak Kreuz tegen Polen, arrest van 9 juni 2001, nr. 2002/54 (www.echr.coe.int) evenzeer dat deze verplichting niet betekent dat onbeperkt recht op gratis rechtsbijstand in civiele procedures zou bestaan. Bij die uitspraak heeft de Afdeling artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb niet in strijd met artikel 6, eerste lid, van het EVRM geacht, en daarbij in aanmerking genomen dat mede met het oog op de financiële beheersbaarheid van het systeem van rechtsbijstandsverlening het gerechtvaardigd moet worden geacht dat rechtsbijstandskosten in civiele procedures die voortvloeien uit beroep of bedrijf voor rekening van de ondernemer worden gelaten. Een ondernemer wordt door deze bepaling niet onevenredig getroffen, noch wordt daardoor het recht op toegang tot de rechter in de kern aangetast.