Uitspraak
200206765/1; uitspraak van 19 maart 2003 in zaak nr.
200201933/1). Dat de begrenzing van het Markermeer en het IJmeer ook op andere wijze had kunnen worden vastgesteld door rekening te houden met de populatiedichtheid van vogels en door het trekken van grenzen in het water, betekent niet dat, zoals de minister terecht stelt, de aanwijzing van het gebied daarom op een wetenschappelijke fout berust die aanpassing van de begrenzing rechtvaardigt. De destijds door de minister gehanteerde begrenzingencriteria hebben ertoe geleid dat een begrenzing is vastgesteld die vrijwel het gehele Markermeer en IJmeer omvat. Bij het bestreden besluit is de begrenzing van de Vogelrichtlijngebieden op enkele onderdelen aangepast waardoor de oppervlakte van het gehele gebied enigszins is verkleind. Zoals hiervoor in 2.8.2 is overwogen kan in de onderhavige procedure de vraag aan de orde gesteld worden of de begrenzing van de Vogelrichtlijngebieden ten onrechte niet is gewijzigd. Voor zover VVM zich richt tegen de begrenzing van het Natura 2000-gebied, overweegt de Afdeling dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden van na het nemen van de eerdere aanwijzingsbesluiten ter uitvoering van de Vogelrichtlijn zijn aangevoerd die de minister aanleiding hadden moeten geven om die besluiten wat betreft de begrenzing te wijzigen.
200802545/1) volgt uit artikel 19a van de Nbw 1998 noch uit enige andere wettelijke bepaling dat het aanwijzingsbesluit en het beheerplan gebied gelijktijdig hadden moeten worden vastgesteld. In hetgeen VVM heeft aangevoerd behoefde de minister geen aanleiding te zien om in dit geval tot gelijktijdige vaststelling van het aanwijzingsbesluit en het beheerplan over te gaan. De minister heeft derhalve in redelijkheid reeds voor de totstandkoming van het beheerplan kunnen overgaan tot aanwijzing van dit gebied.
200902378/1/R2en
200902381/1/R2staat het gebruik van het woord 'bevat' in deze bepaling niet in de weg aan de door de minister gehanteerde systematiek, waarbij de instandhoudingsdoelstellingen worden opgenomen in de toelichting als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Nbw 1998. Hierbij is van belang dat in artikel 3, eerste lid, van het aanwijzingsbesluit wordt verwezen naar de Nota van toelichting inclusief bijlagen en een kaart. Door de verwijzing in deze bepaling vormt de Nota van toelichting met de daarin opgenomen instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende habitattypen en soorten, alsmede de bijbehorende kaart bindende onderdelen van het aanwijzingsbesluit.
201003190/1en
201001164/1waaruit de parallel te trekken zou zijn dat in het aanwijzingsbesluit net als bij besluiten omtrent de vaststelling van bestemmingsplannen rekening dient te worden gehouden met concrete plannen, treft geen doel, omdat die jurisprudentie niet ziet op een aanwijzingsbesluit en daarbij niet eenzelfde belangenafweging als bij bestemmingsplannen wordt gemaakt.
200902380/1/R2is overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de door de minister gehanteerde systematiek bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau in zijn algemeenheid in strijd is met de verplichtingen die Nederland als lidstaat heeft ingevolge de Vogel- en Habitatrichtlijn. Dat wellicht met een andere systematiek eveneens voldaan kan worden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn maakt dit niet anders, nu deze richtlijnen noch de Nbw 1998 hiertoe nopen.
200802545/1) verplichten noch artikel 10a van de Nbw 1998 noch de Vogel- of de Habitatrichtlijn ertoe om de doelen voor bepaalde soorten te kwantificeren. Verder zijn de genoemde aantallen volgens het aanwijzingsbesluit geen streefaantallen, maar vormen zij slechts een indicatie voor de gewenste draagkracht van het gebied.