ECLI:NL:RVS:2011:BR5037
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zicht op uitzetting bij voorlopige hechtenis vreemdeling
De vreemdeling werd in vreemdelingenbewaring gesteld en stelde beroep in tegen deze maatregel. De rechtbank Amsterdam schorste de voorlopige hechtenis onder voorwaarden, waaronder meldingsplicht en het inleveren van reisdocumenten, zonder expliciet te bepalen dat de vreemdeling Nederland niet mocht verlaten.
Het Openbaar Ministerie gaf onder voorwaarden toestemming voor uitzetting, mits de vreemdeling een postadres in Marokko achterlaat en een visum krijgt om zijn strafproces bij te wonen. De vreemdeling voerde aan dat hierdoor het zicht op uitzetting ontbrak en dat de rechtbank dit niet juist had beoordeeld.
De Raad van State oordeelde dat het zicht op uitzetting niet ontbrak omdat het OM geen bezwaar had tegen uitzetting en de voorwaarden aan de schorsing geen feitelijke belemmering vormden. Het ontbreken van OM-toestemming direct na inbewaringstelling was niet relevant voor het zicht op uitzetting op dat moment.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.