ECLI:NL:RVS:2012:BW9130
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- D. Roemers
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ministerieel beleid inzake ongewenstverklaring vreemdeling op grond van buitenlandse veroordeling
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de minister voor Immigratie en Asiel tegen uitspraken van de rechtbank die het besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling op grond van een buitenlandse veroordeling vernietigden. De vreemdeling was veroordeeld in Ecuador tot een gevangenisstraf wegens een opiumdelict, en de minister had op basis van een strafmaatvergelijking van het Openbaar Ministerie (OM) besloten tot ongewenstverklaring.
De rechtbank stelde dat het OM-advies niet voldoende inzichtelijk en concludent was, mede omdat de inhoud van de Nederlandse oriëntatiepunten straftoemeting volgens de vreemdeling in de praktijk doorwerkt in het strafvorderingsbeleid, terwijl het OM hier niet inhoudelijk op had gereageerd. De minister stelde dat de buitenlandse veroordeling een gegeven is en dat de minister beleidsvrijheid heeft bij de waardering daarvan, zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de minister terecht klaagt over het belang dat de rechtbank hechtte aan het beperkte strafmaatverweer en de mogelijke verschillen in strafbeleid tussen Ecuador en Nederland. Echter, de minister heeft niet voldaan aan zijn vergewisplicht om zich ervan te verzekeren dat het OM-advies zorgvuldig en inzichtelijk is, omdat het OM niet adequaat heeft gereageerd op de stellingen van de vreemdeling over de toepassing van de oriëntatiepunten in het strafvorderingsbeleid. Daarom bevestigt de Afdeling de vernietiging van het besluit, met verbeterde motivering, en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vernietiging van het besluit tot ongewenstverklaring wegens onvoldoende naleving van de vergewisplicht door de minister.