ECLI:NL:RVS:2012:BX0747
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende draagkracht bewaringgronden
De vreemdeling werd op 26 mei 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de gronden waarop de bewaring is gebaseerd, namelijk het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan, onvoldoende zijn om de maatregel te dragen. De verdenking van een misdrijf werd niet meegewogen omdat dit niet gerelateerd is aan het risico op ontduiking van toezicht.
De Raad stelt vast dat de minister onvoldoende heeft toegelicht waarom uit de genoemde gronden een risico op ontduiking voortvloeit. De omstandigheden dat de vreemdeling na het verlopen van zijn verblijfsvergunning Nederland niet heeft verlaten en heeft verklaard niet te zullen vertrekken, kunnen niet worden betrokken bij de beoordeling omdat deze niet in de limitatieve opsomming van artikel 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000 zijn opgenomen.
Op grond hiervan wordt het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de bewaring opgeheven. Tevens wordt aan de vreemdeling een vergoeding toegekend voor de periode van bewaring en wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende draagkracht van de gronden en de vreemdeling ontvangt een vergoeding; de minister wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.