Uitspraak
200608032/1kan, waar het gaat om beroepshalve functioneren van ambtenaren, slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten aanzien van zodanig functioneren in beginsel geen beroep kan worden gedaan op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Dat ligt in dit geval anders, nu het verzoek van [appellant] ziet op het openbaarmaken van behaalde cijfers in documenten die betrekking hebben op de opleiding van de betrokken politieambtenaren. De door hen behaalde cijfers zien op het persoonlijk presteren tijdens de opleiding, hetgeen de persoonlijke levenssfeer raakt. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen dient in het kader van de belangenafweging zwaarder te wegen dat vast moet staan welke opleidingen door de betrokken politieambtenaren zijn gevolgd en niet de cijfers die zijn behaald.
200203532/1, dient het recht van openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Derhalve kan geen onderscheid worden gemaakt naar de persoonlijke belangen en oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging in het kader van de Wob worden het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken, maar niet het specifieke belang van de verzoeker.