ECLI:NL:RVS:2013:1188
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat uitzetting vreemdeling niet achterwege blijft wegens medische situatie
De minister heeft een aanvraag van een vreemdeling om uitzetting achterwege te laten afgewezen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling stelde dat zijn psychische aandoeningen, waaronder PTSS en een chronische depressie, een veilige behandelomgeving vereisten die in het land van herkomst niet aanwezig zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat het Bureau Medische Advisering (BMA) zijn advies zorgvuldig had uitgebracht en dat de adviezen van de behandelaars onvoldoende concreet waren om het BMA-advies te weerleggen. De Raad van State oordeelde dat het BMA-advies zorgvuldig tot stand was gekomen en voldoende inzichtelijk en concludent was, mede gelet op jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het hogere beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard. De Raad stelde dat de staatssecretaris terecht geen nader onderzoek of hoorzitting hoefde te verrichten en dat de medische situatie van de vreemdeling geen grond gaf om de uitzetting achterwege te laten.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot uitzetting blijft in stand.