ECLI:NL:RVS:2013:BZ7665
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde op 25 november 2011 een boete van €16.000 op aan [appellante] wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De zaak betrof het aantreffen van twee vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning die werkzaamheden verrichtten bij [appellante]. [appellante] voerde onder meer aan dat één vreemdeling slechts kort werkte en de ander als zelfstandige zonder gezagsverhouding. De Afdeling oordeelde dat de duur van de werkzaamheden niet relevant is en dat de feitelijke omstandigheden wezen op een gezagsverhouding, waardoor sprake was van arbeid in de zin van de Wav.
Verder stelde [appellante] dat de minister onzorgvuldig handelde door niet te controleren of één vreemdeling al twaalf maanden arbeidsmarkttoegang had. Dit werd verworpen omdat geen bewijs werd geleverd van een eerdere tewerkstellingsvergunning. Ook werd het beroep op matiging van de boete wegens onwetendheid en financiële gevolgen afgewezen. De Afdeling bevestigde dat de boete passend en proportioneel is opgelegd.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €16.000 wegens overtreding van de Wav.