ECLI:NL:RVS:2020:2058
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak inzake afwijzing verblijfsvergunning zelfstandigen in afbouwbranche
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees in juni 2016 aanvragen van twee Turkse vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af, omdat zij geen wezenlijk Nederlands belang zouden dienen met hun beoogde zelfstandige arbeid in de afbouwbranche. Na het ongegrond verklaren van bezwaren door de staatssecretaris, verklaarde de rechtbank Den Haag in februari 2020 de beroepen van de vreemdelingen gegrond en vernietigde de besluiten.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte aannam dat het advies van de vreemdelingen afbreuk deed aan het advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO). De Afdeling stelde dat de vreemdelingen onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij met hun onderneming een wezenlijk Nederlands belang dienden en dat het advies van de RvO terecht werd gevolgd.
Verder faalden de bezwaren van de vreemdelingen dat de staatssecretaris in strijd had gehandeld met de standstill-bepaling en het gelijkheidsbeginsel. Ook slaagden hun betogen over hun ervaring als stukadoors niet. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraken van de rechtbank en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank vernietigd.