ECLI:NL:RVS:2014:3283
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- J. Kramer
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing Wob-verzoek wegens termijnoverschrijding
De appellant verzocht de minister om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), maar dit verzoek werd op 22 december 2011 afgewezen. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, dat door de rechtbank niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.
Appellant maakte verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, waarop de verzetsrechter het verzet gegrond verklaarde omdat aannemelijk was gemaakt dat het beroepschrift tijdig ter post was bezorgd. Desondanks verklaarde de rechtbank het beroep bij een latere uitspraak opnieuw niet-ontvankelijk wegens te late indiening.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het beroepschrift op 7 augustus 2012 door de rechtbank werd ontvangen, binnen een week na afloop van de termijn, zodat moest worden beoordeeld of het tijdig ter post was bezorgd. Omdat het poststempel op de enveloppe niet leesbaar was, rustte de bewijslast op appellant om aannemelijk te maken dat het beroepschrift tijdig was verzonden. Dit is niet voldoende gebleken, mede omdat verklaringen van appellant en zijn moeder niet werden ondersteund door objectieve gegevens.
De Afdeling concludeerde dat de rechtbank terecht, zij het op andere gronden, het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn.