ECLI:NL:PHR:2019:703
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over bewijs van tijdige verzending bezwaarschrift via digitale postdienst PostNL
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Den Haag en stelde het bezwaarschrift tijdig te hebben verzonden via de digitale dienst Print en Verzend van PostNL op 4 februari 2017. De heffingsambtenaar ontkende ontvangst binnen de bezwaartermijn en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende stelde dat de verzending via PostNL aantoonbaar was, onder meer met een factuur en e-mail- en chatcorrespondentie met PostNL.
De Rechtbank en het Hof oordeelden echter dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bezwaarschrift daadwerkelijk tijdig was verzonden en ontvingen het bewijs van verzending niet als toereikend. Het Hof vond dat niet was aangetoond hoe de digitale aanbieding werd verwerkt en verzonden en dat de bewijsstukken ontoereikend waren. Ook uit de communicatie met PostNL kon dit volgens het Hof niet worden afgeleid. Daarnaast uitte het Hof twijfels over het procesgedrag van de gemachtigde.
In cassatie stelde belanghebbende dat het Hof een onjuiste maatstaf hanteerde door te verlangen dat de interne processen van PostNL inzichtelijk gemaakt moesten worden. De Hoge Raad concludeert dat het enkel aanbieden van het bezwaarschrift aan PostNL voldoende bewijs kan zijn van tijdige terpostbezorging. Uit de overgelegde stukken, waaronder de factuur en bevestiging van verwerking in het sorteercentrum, is aannemelijk dat het bezwaarschrift op 4 februari 2017 is verzonden. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van het tegenbewijs door de heffingsambtenaar.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling van het tegenbewijs over ontvangst van het bezwaarschrift.