ECLI:NL:RVS:2014:4530
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake inreisverbod en ongewenstverklaring vreemdeling
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie had op 11 november 2013 een verzoek van de vreemdeling ingewilligd om zijn ongewenstverklaring op te heffen en tegelijkertijd een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. De rechtbank Den Haag had dit besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de vertrekplicht van de vreemdeling was komen te vervallen, terwijl deze nog steeds rustte op een eerder genomen terugkeerbesluit. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bestaan van een duurzaam uitzetbeletsel niet betekent dat het terugkeerbesluit zijn betekenis verliest en dat het uitvaardigen van het inreisverbod niet disproportioneel is.
De vreemdeling had aangevoerd dat het inreisverbod en het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zijn vanwege zijn gezinsleven en de verstreken tijd sinds het eerdere besluit. De Afdeling verwierp dit en stelde dat het algemeen belang om te voorkomen dat Nederland een vluchthaven wordt voor personen die onder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vallen, zwaarder weegt.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris wordt gehandhaafd.