Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2015 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
personal and knowing participation’, zodat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig gemaakt heeft aan mensenrechtenschendingen in Irak ten tijde van het regime van Saddam Hoessein.
non‑conviction certificate’ overgelegd, welk document is afgegeven door de Iraakse ambassade te Den Haag op 7 maart 2013 en waarin wordt verklaard dat hij in Irak niet voor een misdrijf is veroordeeld. Naar de mening van eiser is artikel 1(F) Vlv onterecht op hem van toepassing geacht omdat dit is gebaseerd op onjuiste informatie en betreft het overgelegde
non-conviction certificateeen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Weliswaar heeft hij reeds eerder aangegeven dat artikel 1(F) Vlv ten onrechte aan hem is tegengeworpen, maar thans kan hij hierbij aannemelijk maken dat hij bij de Iraakse autoriteiten bekend staat als iemand van goed gedrag. Bij brief van eiser van 11 augustus 2014 benadrukt eiser dat dit
non-conviction certificateook aantoont dat hij geen misdaden heeft gepleegd en dit ook geldt voor misdaden die onder artikel 1(F) Vlv vallen. Verder heeft eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag op 17 februari 2014 verklaard dat hij in Irak bezig is geweest met wetenschap en onderwijs, dat hij niet onder artikel 1(F) Vlv valt en dat hij niet op de hoogte was wat Saddam Hoessein destijds heeft gedaan. Bij faxbericht van 13 januari 2015 en ter zitting heeft eiser ten aanzien van het overgelegde
non-conviction certificateaangeven dat in Irak op dit moment een geheel ander regime aan de macht is dan in de periode dat hij aldaar werkzaam was en dat niet valt in te zien waarom hij dan niet in Irak (bij verstek na een klacht) zou zijn veroordeeld indien hij schuldig zou zijn.
non-conviction certificatedoor Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) laten onderzoeken. Bij rapport van 21 februari 2014 is betreffende de echtheid van dit document geconcludeerd dat in verband met het niet voorhanden hebben van voldoende vergelijkingsmateriaal geen uitspraak kan worden gedaan. Nu het al dan niet veroordeeld zijn in Irak geen rol heeft gespeeld bij de tegenwerping van artikel 1(F) Vlv aan eiser, kan dit document volgens verweerder niet als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt. Ook de tijdens het gehoor opvolgende aanvraag door eiser afgelegde verklaringen acht verweerder ontoereikend voor een ander oordeel omdat deze verklaringen reeds zijn meegewogen in de voorgaande asielprocedure.
non-conviction certificatetoont dus, anders dan eiser meent in zijn brief van 11 augustus 2014, niet aan dat hij geen misdaden heeft gepleegd. De stellingen van eiser dat er thans in Irak een andere regime aan de macht is waarmee hij geen goede vrienden is, er geen verdenking op hem rust van de zijde van de huidige Iraakse autoriteiten en hij niet na klacht bij verstek is veroordeeld, maken dit niet anders. Bovendien heeft een strafrechtelijke veroordeling voor een misdrijf in de vorige asielprocedure geen enkele rol gespeeld bij de conclusie dat artikel 1(F) Vlv op eiser van toepassing is. Het door eiser ingebrachte document doet dan ook geen afbreuk aan de conclusie dat ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de in artikel 1(F), aanhef en onder a, b en c, Vlv genoemde handelingen tijdens het regime van Saddam Hoessein. Het
non-conviction certificatekan dus niet als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in bovenbedoelde zin worden beschouwd, zodat verweerder terecht onverkort aan het tegenwerpen van artikel 1(F) Vlv heeft vastgehouden. De verklaringen van eiser dat hij zich niet op de hoogte was van de misdaden die onder het regime van Saddam Hoessein zijn gepleegd en dat hij zich heeft bezig gehouden met onderwijs en wetenschap kunnen evenmin als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden aangemerkt, aangezien deze reeds in de eerdere asielprocedure zijn betrokken. Dit geldt eveneens voor zijn werkzaamheden als
Political Guidance Officerop de school voor chemische defensie op het militaire complex [naam militair complex] in de periode 1981 tot 1984. De enkele stelling van eiser dat deze werkzaamheden verkeerd zijn beoordeeld en gewogen maakt dit niet anders. Het betoog van eiser dat het tegenwerpen van artikel 1(F) Vlv moet worden herbeoordeeld slaagt derhalve niet.
duurzaam' een termijn van tien jaren is verbonden. De term duurzaam, zoals neergelegd in de duurzaamheidstoets in ad a van paragraaf C2/6.2.8.6 Vc 2000, vereist echter tevens dat sprake is van de omstandigheden dat er geen vooruitzicht is op verandering binnen niet al te lange termijn, gerekend vanaf heden, in de situatie dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet naar het land van herkomst vanwege een dreigende schending van artikel 3 EVRM Pro, alsook dat eiser aannemelijk moet hebben gemaakt dat vertrek naar een ander land dan zijn land van herkomst, ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan zijn vertrekplicht, niet mogelijk is. Eerst nadat aan de duurzaamheidstoets is voldaan, is de proportionaliteitstoets aan de orde.
United Nations High Commissioner for Refugees(UNHCR) niet in staat zou zijn hem te vestigen in een derde land, terwijl zowel de ambassades van de Verenigde Staten (VS) als Nieuw‑Zeeland hem naar de UNHCR hadden doorverwezen voor hulp dienaangaande. Ook geeft eiser aan dat hij contact heeft gehad met de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Eiser concludeert dat hij Nederland duurzaam niet kan verlaten, nu hij zonder hulp van de zijde van verweerder, DT&V en IOM zelfstandig heeft geprobeerd naar een ander land te vertrekken, maar toestemming van andere landen tot op heden is uitgebleven. Tot slot acht eiser het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel. Hierbij heeft hij in het kader van de proportionaliteitstoets aanbevelingsbrieven van buurtbewoners en kennissen overgelegd, gewezen op het feit dat er sinds zijn komst naar Nederland niets op zijn gedrag aan te merken is geweest en bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan tot een uitzonderlijke situatie moet worden geconcludeerd, namelijk zijn medische situatie, gezinssituatie en de informatie die hij aan de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) heeft verstrekt.
guiding principles" (richtlijnen) uit de arresten van het EHRM in de zaak Boultif tegen Zwitserland van 2 augustus 2001 (ECLI:EU:XX:2001:AD3516) en de zaak Üner tegen Nederland van 18 oktober 2006 (ECLI:EU:XX:2006:AZ2407) een belangenafweging verricht en bezien of de inmenging in het recht op familie- en gezinsleven van eiser hier te lande met zijn echtgenote en vier kinderen proportioneel is in relatie tot de bescherming van het algemene belang. Verweerder meent dat aan het algemeen belang van de openbare orde en de nationale veiligheid, alsmede het voorkomen van strafbare feiten in dit geval meer gewicht kan worden toegekend dan aan het persoonlijke belang van eiser bij een ongestoord familie- of gezinsleven in Nederland. De aard en de ernst van de misdrijven waarmee hij in verband wordt gebracht wordt bij deze belangenafweging zeer zwaar in het nadeel van eiser meegewogen, aldus verweerder.
fair balance" die dient te worden gevonden tussen enerzijds het belang van de vreemdeling en zijn gezinsleden om hier te lande ongestoord hun recht op familie- of gezinsleven uit te oefenen en anderzijds het belang van de Nederlandse Staat bij de bescherming van de openbare orde, heeft verweerder zich – uitgaande van de voormelde richtlijnen – op het standpunt mogen stellen dat in dit geval bij de belangenafweging het algemeen belang van de Nederlandse Staat dient te prevaleren boven het belang van eiser en zijn gezin, zodat de inmenging in het familie- of gezinsleven van eiser gerechtvaardigd is ter bescherming van het door de Nederlandse overheid te behartigen belang van de openbare orde en de nationale veiligheid, alsmede het voorkomen van strafbare feiten.
fair balance" tussen de belangen van de vreemdeling enerzijds en het algemeen belang anderzijds, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat inmenging in het recht op familie- en gezinsleven in dit geval gerechtvaardigd is. Verweerder stelt dat in rechte vaststaat dat eiser in verband is gebracht met het aan foltering of wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing onderwerpen van personen. Deze daden leveren ook naar Nederlands recht zeer zware misdrijven op en wegen bij de belangenafweging in het kader van 8 EVRM als zwaar gewicht in het nadeel van eiser door. De omstandigheid dat de misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) Vlv in het geval van eiser geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden doet aan de ernst daarvan en het groot menselijk leed dat hierdoor is veroorzaakt niet af.
more than normal emotional ties. Een dergelijke band wordt aangenomen indien de bestaande relatie feitelijk, in psychische of materiële afhankelijkheid, in voldoende mate uitstijgt boven hetgeen bij relaties tussen dergelijke personen gebruikelijk is. De rechtbank is in dit geval niet gebleken van aanknopingspunten om te veronderstellen dat tussen eiser en zijn meerderjarige kinderen sprake is van een band die verder gaat dan gebruikelijk is in een relatie tussen zulke familieleden.
Beslissing
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het opgelegde inreisverbod voor de duur van tien jaar, ongegrond;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, niet-ontvankelijk.