ECLI:NL:RVS:2014:833
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid hoger beroep vreemdeling tegen afwijzing verblijfsvergunning en inreisverbod
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen met een inreisverbod. De rechtbank had het besluit vernietigd en de zaak terugverwezen voor een nieuw besluit. Zowel de vreemdeling als de staatssecretaris gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad van State overwoog dat de stukken die de vreemdeling over de situatie van Tamils in Sri Lanka had overgelegd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vormden die het eerdere besluit konden beïnvloeden. De individuele risicofactoren van de vreemdeling waren reeds bekend en hadden in eerdere procedures aangevoerd moeten worden.
Daarnaast oordeelde de Afdeling dat het ambtsbericht waarop het besluit was gebaseerd niet ter discussie stond, en dat de psychische klachten van de vreemdeling niet als nieuw feit konden gelden. Ook was het inreisverbod terecht opgelegd, mede omdat de band met haar meerderjarige zoon niet zodanig was dat het familie- en gezinsleven onevenredig werd aangetast.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, dat van de staatssecretaris gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling bij de rechtbank ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het beroep bij de rechtbank wordt afgewezen.