ECLI:NL:RVS:2016:2434
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en toetsing aan wettelijke gronden bij hoger beroep
De vreemdeling werd op 26 februari 2016 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, hief de bewaring op en kende schadevergoeding toe. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de staandehouding rechtmatig was, omdat deze was gebaseerd op een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Daarnaast werd vastgesteld dat de bewaring noodzakelijk was voor het verkrijgen van gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, en dat de vreemdeling zich niet aan het toezicht had onttrokken. De staatssecretaris had terecht geen lichter middel toegepast.
Ook het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn was geen vereiste voor de bewaring en de staatssecretaris had voldoende voortvarend gehandeld. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt als rechtmatig beoordeeld.