ECLI:NL:RVS:2017:1286
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C. Kranenburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit staatssecretaris over handhaving compensatie vertraagde vlucht
Appellanten [appellant A] en [appellant B] verzochten de staatssecretaris om handhavend op te treden tegen TUI Airlines Nederland B.V. wegens het niet betalen van compensatie voor een vertraagde vlucht. De staatssecretaris wees dit verzoek op 3 maart 2014 af en handhaafde dit besluit bij besluit van 3 juli 2014, stellende dat sprake was van buitengewone omstandigheden waardoor TUI niet verplicht was tot compensatie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten niet-ontvankelijk omdat de staatssecretaris niet bevoegd zou zijn om in individuele gevallen handhavend op te treden. Appellanten stelden hoger beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en de proceskostenveroordeling. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellanten wel belang hadden bij een inhoudelijke beoordeling en dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard.
De Afdeling bevestigde dat de staatssecretaris niet bevoegd is om in individuele gevallen handhavend op te treden om compensatie af te dwingen, vernietigde het besluit van 3 juli 2014, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Verzoeken om schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit en overschrijding van de redelijke termijn werden afgewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens onbevoegdheid, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en schadevergoedingsverzoeken worden afgewezen.