ECLI:NL:RVS:2017:3464
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat vreemdeling niet opnieuw risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM
De staatssecretaris wees een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de Werkinstructie 2014/10 het aan de staatssecretaris is om aannemelijk te maken dat ernstige schade, zoals die de vreemdeling eerder heeft geleden, zich niet opnieuw zal voordoen. De rechtbank had dit ten onrechte anders beoordeeld.
De Raad stelt vast dat de vreemdeling na de mishandeling in 2012 of 2013 nog enkele jaren in Libanon verbleef zonder opnieuw slachtoffer te worden van ernstige geweldshandelingen. Telefonische bedreigingen werden niet als ernstige schade aangemerkt. De staatssecretaris heeft daarmee voldaan aan zijn motiveringsplicht.
Verder oordeelt de Raad dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn late melding in Nederland te wijten was aan zijn medische toestand. De aanvraag was daarom terecht als kennelijk ongegrond afgewezen.
De Raad verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.