ECLI:NL:RVS:2018:756
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verplichting CBR tot geschiktheidsonderzoek na rijden onder invloed
Op 17 mei 2016 werd appellant aangehouden op verdenking van rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte van 685 µg/l. Het CBR legde hem op 1 juni 2016 de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid om motorrijtuigen te besturen. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar en beroep bij de rechtbank.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet als bestuurder onder invloed had gereden, maar dat een ander de auto bestuurde en hij slechts achter het stuur zat om zijn telefoon op te laden. Hij ondersteunde dit met een verklaring van zijn zwager en wees op zijn strafrechtelijke vrijspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het CBR op basis van het proces-verbaal met voldoende zekerheid kon vaststellen dat appellant als bestuurder onder invloed was.
De Afdeling benadrukte dat het bestuursrechtelijke onderzoek losstaat van de strafrechtelijke procedure en dat het CBR niet wettig en overtuigend hoeft te bewijzen dat appellant reed onder invloed, maar dat voldoende mate van zekerheid volstaat. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit van het CBR dat appellant zich moet onderwerpen aan een geschiktheidsonderzoek.