ECLI:NL:RVS:2019:1127
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek buiten beschouwing laten transitievergoeding bij huurtoeslag 2016
De appellant heeft een verzoek ingediend bij de Belastingdienst/Toeslagen om zijn ontvangen transitievergoeding buiten beschouwing te laten bij de bepaling van de huurtoeslag over 2016. Dit verzoek werd afgewezen omdat de transitievergoeding niet valt onder de wettelijk bepaalde bestanddelen van het toetsingsinkomen die buiten beschouwing kunnen worden gelaten.
De rechtbank heeft deze afwijzing bevestigd en geoordeeld dat de transitievergoeding in 2016 vorderbaar is geworden en ook in dat jaar is uitbetaald, waardoor het geen nabetaling van eerdere jaren betreft. De appellant stelde dat de vergoeding een nabetaling is over de werkzame jaren 2000-2016 en daarmee buiten beschouwing zou moeten blijven, maar dit werd door de Afdeling verworpen.
De Afdeling benadrukte dat de transitievergoeding weliswaar gebaseerd is op de werkzame jaren, maar dat dit niet betekent dat het een nabetaling is van loon over die jaren. De aanspraak op de vergoeding is pas in 2016 ontstaan. Ook het feit dat een derde partij als begunstigde op de aanvraag stond vermeld, deed hieraan niet af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om de transitievergoeding buiten beschouwing te laten bij de huurtoeslag 2016 wordt bevestigd.