ECLI:NL:RVS:2019:1144
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. Beek-Gillessen
- E.A. Minderhoud
- E.J. Daalder
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en vergoeding resterende planschade na bestemmingsplanwijziging
De zaak betreft een hoger beroep van een appellant tegen het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel inzake de tegemoetkoming in resterende planschade van €101.091,00. Na eerdere procedures en bestemmingsplanwijzigingen is de planschade deels gecompenseerd in natura door herstel van gebruiksmogelijkheden, maar een deel bleef over. Het college kende compensatie in natura toe met de voorwaarde dat bij onmogelijkheid tot compensatie uitbetaling volgt.
De appellant stelde dat het college tweemaal dezelfde planschadeprocedure voerde en dat compensatie in natura niet haalbaar zou zijn, mede vanwege onzekerheden rond bestemmingsplanwijzigingen en mogelijke bezwaren van derden. De Afdeling oordeelde dat het college het recht had om de resterende schade in natura te compenseren en dat onzekerheden niet automatisch tot zinloosheid van compensatie leiden. Wel stelde de Afdeling vast dat het college onvoldoende zekerheid bood over uitbetaling indien compensatie in natura niet tijdig gerealiseerd wordt.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met meer dan tweeënhalf jaar is overschreden, waarvoor het college een vergoeding van €3.000,00 moet betalen. De Afdeling vernietigde het besluit van 11 juli 2017 voor zover het niet voorzag in een uitbetalingsdatum en bepaalde dat het college de schade moet vergoeden met rente indien het nieuwe bestemmingsplan niet voor 1 oktober 2019 onherroepelijk is. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het college moet de resterende planschade van €101.091,00 plus wettelijke rente betalen indien compensatie in natura niet voor 1 oktober 2019 onherroepelijk is vastgesteld.