ECLI:NL:RVS:2019:1951
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens schending onschuldpresumptie
De korpschef had de toestemming van appellant B om beveiligingswerkzaamheden te verrichten ingetrokken wegens het gebruik van buitensporig geweld bij een aanhouding en het niet naleven van uniformplicht en toestemmingseisen. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. De Raad van State oordeelt dat de korpschef de onschuldpresumptie heeft geschonden door in bestuursrechtelijke besluiten feitelijk schuld vast te stellen voordat dit in de strafrechtelijke procedure was vastgesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat artikel 6, tweede lid, EVRM ook in deze bestuursrechtelijke procedure van toepassing is omdat de geschilpunten samenhangen met de strafrechtelijke procedure. De korpschef baseerde zijn oordeel nagenoeg uitsluitend op strafrechtelijk bewijsmateriaal en stelde vast dat appellant B buitensporig geweld had gebruikt, wat feitelijk een schuldvaststelling is.
Daarom vernietigt de Raad van State de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand werden gelaten en beveelt de korpschef een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de actuele feiten en de stand van de strafrechtelijke procedure. Tevens worden proceskosten vergoed en wordt bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld.
Uitkomst: De intrekking van de toestemming wordt vernietigd wegens schending van de onschuldpresumptie en de korpschef moet een nieuw besluit nemen.