ECLI:NL:RVS:2019:3204
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.Th. Drop
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onrechtmatige beperking vrijheid van dienstverrichting
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellante twee boetes van elk €40.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellante voerde aan dat de boeteoplegging in strijd was met de vrijheid van dienstverrichting en vestiging zoals beschermd door het VWEU, omdat de vreemdelingen hun werkzaamheden vanuit Duitsland verrichtten en niet de intentie hadden toe te treden tot de Nederlandse arbeidsmarkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het vereiste dat de vreemdelingen gerechtigd moesten zijn om in Cyprus te werken en te verblijven een ongerechtvaardigde beperking vormde van de vrijheid van dienstverrichting. De vreemdelingen beschikten over Duitse werk- en verblijfsvergunningen, verrichtten het merendeel van hun werkzaamheden in Duitsland en keerden na de werkzaamheden terug naar hun land van herkomst.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep ongegrond had verklaard, verklaarde het hoger beroep gegrond, en herroept het boetebesluit van 30 augustus 2017. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het boetebesluit van 30 augustus 2017 wordt herroepen wegens onrechtmatige beperking van de vrijheid van dienstverrichting.