ECLI:NL:RVS:2016:108
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen bij inzet van vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning
De minister legde aan [appellante] een boete van €360.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) door het laten werken van 44 Roemeense en Bulgaarse vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning op vakantieparken. De rechtbank matigde de boete tot €349.500 en verklaarde het bezwaar van [appellante] deels gegrond.
In hoger beroep betoogde [appellante] onder meer dat de boete onterecht was omdat de vreemdelingen zelfstandigen zouden zijn, het bewijs onvoldoende was, en de boete disproportioneel. De Raad van State verwierp deze argumenten, onder meer omdat de vreemdelingen onder gezag van [Schoonmaakbedrijf] werkten en de vennootschap onder firma-constructie als papieren constructie werd beschouwd.
Ook werden bezwaren tegen het gebruik van verklaringen, het ontbreken van cautie en de toepassing van de redelijke termijn bij boetevermindering afgewezen. De Raad bevestigde dat de minister bevoegd was tot boeteoplegging en dat de boete niet onredelijk hoog was gezien de omstandigheden en financiële situatie van [appellante].
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €349.500 wegens overtreding van de Wav door inzet van vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning.