ECLI:NL:RVS:2019:326
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid
De korpschef heeft op 6 december 2016 de toestemming ingetrokken die aan appellant was verleend om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, naar aanleiding van incidenten met politieambtenaren in mei en juli 2016. Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde appellant hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State toetste het besluit van de korpschef en de eerdere uitspraken. De korpschef baseerde zijn besluit op een mutatierapport en een proces-verbaal van bevindingen waarin werd vastgesteld dat appellant zich recalcitrant had gedragen tegenover politieambtenaren en weigerde mee te werken tijdens een aanhouding, wat volgens de korpschef een ernstige aantasting van de rechtsorde vormt. De korpschef stelde dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven twijfel verheven moeten zijn.
Appellant voerde aan dat de gedragingen niet als strafbare feiten bewezen konden worden en dat hij de-escalerend had opgetreden, ondersteund door video-opnamen. De Raad van State oordeelde echter dat de korpschef beoordelingsruimte heeft en dat de video-opnamen geen reden geven om aan het proces-verbaal te twijfelen. De vrees voor reputatieschade en represailles rechtvaardigde volgens de Raad van State niet de weigering om de politie te helpen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee de intrekking van de toestemming voor appellant om beveiligingswerkzaamheden te verrichten in stand blijft.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de toestemming voor appellant om beveiligingswerkzaamheden te verrichten wegens onvoldoende betrouwbaarheid.