ECLI:NL:RVS:2019:3880

Raad van State

Datum uitspraak
15 november 2019
Publicatiedatum
15 november 2019
Zaaknummer
201900496/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens politieke overtuiging Ahwazi

De vreemdeling, een etnisch Arabier afkomstig uit Iran, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 20 november 2018 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De vreemdeling stelde dat hij zich in Nederland heeft ingezet voor de positie van de Ahwazi, onder meer door lidmaatschap van de Arab Front for Liberation of Al-Ahwaz (AFLA), deelname aan demonstraties en het plaatsen van berichten op social media. De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris terecht aannam dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat hij door zijn activiteiten in Nederland in negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten zou staan.

De Afdeling oordeelde echter dat de staatssecretaris eerst moet beoordelen of de activiteiten van de vreemdeling voortkomen uit een fundamentele politieke overtuiging. Indien dat het geval is, mag van de vreemdeling niet worden verwacht dat hij zich bij terugkeer in Iran terughoudend opstelt. De rechtbank had deze beoordeling niet gemaakt, waardoor het besluit onvoldoende gemotiveerd was.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en het beroep wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

201900496/1/V2.
Datum uitspraak: 15 november 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 9 januari 2019 in zaak nr. NL18.22189 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 20 november 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 9 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.E. de Poorte, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De vreemdeling is een etnisch Arabier (hierna: Ahwazi) afkomstig uit Iran. Hij heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij zich in Nederland heeft ingezet voor de positie van Ahwazi. Hij heeft verklaard dat hij lid is geworden van de Arab Front for Liberation of Al-Ahwaz (hierna: AFLA) en dat hij in Nederland demonstraties en een bijeenkomst van de AFLA heeft bijgewoond waarvan beeldmateriaal op internet staat. Ook plaatst hij berichten over Ahwazi op zijn eigen socialmedia-accounts.
2.    Wat de vreemdeling in de eerste grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.    In de tweede tot en met vijfde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van zijn activiteiten in Nederland in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten is komen te staan. De Afdeling stelt vast dat de staatssecretaris alle onder 1. genoemde activiteiten geloofwaardig acht. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris dan eerst moet beoordelen of de activiteiten van de vreemdeling voortkomen uit een fundamentele politieke overtuiging. Als dat zo is, mag de staatssecretaris niet van de vreemdeling verwachten dat die zich bij terugkeer naar Iran terughoudend opstelt bij de uitoefening daarvan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1970, r.o. 4.2.). Pas als de staatssecretaris hierover een standpunt heeft ingenomen, kan relevant zijn of aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten van de activiteiten op de hoogte (kunnen) zijn.
De grieven slagen.
4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 20 november 2018 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 9 januari 2019 in zaak nr. NL18.22189;
III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van 20 november 2018, V-nummer […];
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.M.J. den Houdijker, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt    w.g. Den Houdijker
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2019
837.