ECLI:NL:RVS:2020:1386
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- C.J. Borman
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf Eritrese vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 20 april 2017 de aanvraag van een Eritrese vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. De vreemdeling, die verblijf beoogt bij haar pleegmoeder en zus, de referent, stelde dat haar ouders zijn overleden. De rechtbank Den Haag vernietigde het besluit en beval DNA-onderzoek om de familieband aan te tonen.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het bewijs van het overlijden van de ouders en de pleegrelatie onvoldoende heeft beoordeeld. Hij verwees naar een verklaring van Bureau Documenten die twijfels uitte over de authenticiteit van de voogdijbrief en het ontbreken van overlijdensakten. Tevens stelde hij dat DNA-onderzoek geen pleegrelatie kan aantonen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de verklaring van Bureau Documenten niet zorgvuldig had beoordeeld en dat de staatssecretaris terecht had gewezen op de tekortkomingen in het bewijs. Ook oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris zijn vaste gedragslijn correct had toegepast en dat het beroep van de vreemdeling ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf gehandhaafd.