Uitspraak
Datum uitspraak: 4 december 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
De zaak betreft een bestuurlijke boete van €41.000 opgelegd aan [appellante] wegens het niet deugdelijk registreren van arbeids- en rusttijden in de periode augustus 2015, in strijd met artikel 4:3 van Pro de Arbeidstijdenwet (Atw). De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt deze uitspraak en het daarop gebaseerde besluit van de minister.
De Afdeling oordeelt dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, is overschreden omdat het boetevoornemen al op 11 oktober 2016 werd gedaan, terwijl de rechtbank pas op 21 december 2018 uitspraak deed. Hierdoor wordt de boete met 5% verminderd tot €38.950. Daarnaast is vastgesteld dat de minister terecht uitging van het aantal werknemers zoals vastgesteld door de inspecteur, ondanks betwisting door [appellante].
De Afdeling wijst het betoog van [appellante] af dat de Beleidsregel 2014 in plaats van de Beleidsregel 2016 toegepast had moeten worden. Ook het pleidooi voor verdere matiging wegens het evenredigheidsbeginsel faalt. De boete is passend gelet op de aard en omvang van de overtredingen. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt gematigd tot €38.950 vanwege overschrijding van de redelijke termijn en het hoger beroep wordt gegrond verklaard.