ECLI:NL:RVS:2020:2671
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- G.M.H. Hoogvliet
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis Syrische vreemdeling
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van een Syrische vreemdeling gegrond verklaarde tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis.
De vreemdeling, geboren in 1988, wilde via nareis bij haar vader verblijven die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft. Zij was echter vóór het vertrek van haar vader getrouwd en woonde met haar dochter in Turkije. De staatssecretaris stelde dat zij daardoor niet langer feitelijk tot het gezin van haar vader behoorde en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat zij een nareisaanvraag kon indienen.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank onjuist heeft geoordeeld en bevestigt dat een eenmaal verbroken gezinsband niet kan worden hersteld. De vreemdeling valt niet onder de definitie van gezinslid voor nareis en moet worden doorverwezen naar de reguliere gezinsherenigingsprocedure. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.