ECLI:NL:RVS:2020:2888
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- J.Th. Drop
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging watervergunning Vattenfall voor waterkrachtcentrale Alphen/Lith wegens strijd met Waterwet
De minister verleende op 22 februari 2018 een tijdelijke watervergunning aan Vattenfall voor het onttrekken en terugbrengen van water in de Maas via de waterkrachtcentrale te Alphen/Lith. Vattenfall betwistte de vergunningplicht, de toepassing van de 10%-norm voor vissterfte en de noodzaak van een tijdelijke vergunning. De rechtbank verklaarde het beroep van Vattenfall gegrond en vernietigde delen van de vergunning, maar de minister ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de vergunningplicht terecht was vastgesteld, omdat het water tijdelijk wordt onttrokken en teruggebracht, en dat Vattenfall als exploitant de vergunning moest aanvragen. Het overgangsrecht was niet van toepassing op eerdere vergunningen uit de jaren tachtig.
De kern van het geschil betrof de toepassing van de 10%-norm voor vissterfte. De Raad stelde vast dat deze norm niet krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bij algemene maatregel van bestuur was vastgesteld, zoals vereist volgens artikel 2.10 van de Waterwet. Hierdoor kon de minister de vergunning niet op deze norm baseren. De Afdeling vernietigde het besluit van 22 februari 2018 in zijn geheel en bepaalde dat een nieuw besluit moet worden genomen, waartegen alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan Vattenfall. De uitspraak bevestigt het belang van correcte wettelijke grondslagen bij het vaststellen van milieunormen en vergunningen.
Uitkomst: Het besluit van 22 februari 2018 tot vergunningverlening aan Vattenfall wordt vernietigd wegens strijd met artikel 2.10 van de Waterwet.