ECLI:NL:RVS:2020:313
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel voor Eritrese vreemdelingen
De vreemdelingen, een moeder met vijf minderjarige kinderen en een meerderjarig kind, allen met de Eritrese nationaliteit en woonachtig in Saoedi-Arabië, hadden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd die door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank had de beroepen van de vreemdelingen gegrond verklaard en de besluiten vernietigd.
De minister stelde in hoger beroep dat de situatie van de vreemdelingen gelijkgesteld moet worden aan die van legaal uit Eritrea gereisde personen en dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij vertrek naar Eritrea een reëel risico lopen op een schending van artikel 3 EVRM Pro. De Raad van State oordeelde dat de minister dit standpunt deugdelijk had gemotiveerd en dat de vreemdelingen dit niet hadden weerlegd.
Verder oordeelde de Raad dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de besluiten in strijd waren met artikel 45 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en het beleid in de Vreemdelingencirculaire. De Raad bevestigde dat de vreemdelingen zelfstandig kunnen vertrekken en dat het weigeren van medewerking aan vertrek binnen de ruimte van artikel 45 valt Pro.
Het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. De beroepen werden ongegrond verklaard, en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.