ECLI:NL:RVS:2021:1408
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit Raad voor Rechtsbijstand over openbaarmaking documenten op grond van Wob
Appellant verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van documenten met betrekking tot werkzaamheden, correspondentie en onderzoeken door het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand. Het bestuur wees het verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit, maar de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het besluit gedeeltelijk vanwege onvoldoende inventarisatie en motivering.
Na een nieuw besluit van het bestuur verklaarde de Afdeling het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Het bestuur verstrekte overzichten van documenten, maar weigerde sommige documenten op grond van de bijzondere openbaarmakingsregeling van de Advocatenwet en de bescherming van persoonsgegevens. Appellant betwistte deze weigeringen en het anonimiseren van persoonsgegevens.
De Afdeling oordeelde dat de bijzondere openbaarmakingsregeling van de Advocatenwet van toepassing is op documenten die betrekking hebben op tuchtrechtelijke dossiers, ook als appellant zich had laten uitschrijven als advocaat. Voor sommige documenten ontbrak echter een voldoende motivering voor weigering. Daarnaast was het anonimiseren van persoonsgegevens van appellant onterecht, omdat hij geen bezwaar had gemaakt tegen openbaarmaking van zijn eigen gegevens en het bestuur hem niet voldoende had geïnformeerd.
De Afdeling vernietigde het besluit voor zover het ziet op bepaalde documenten en de persoonsgegevens van appellant, en bepaalde dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand wordt gedeeltelijk vernietigd wegens onvoldoende motivering en onjuiste toepassing van de Advocatenwet en Wob.