ECLI:NL:RVS:2021:2321
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat staatssecretaris terecht mvv-aanvragen vreemdelingen heeft afgewezen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 mei 2018 de aanvragen van drie Pakistaanse vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De vreemdelingen, familieleden van een in Nederland verblijvende vluchteling, stelden beroep in tegen deze afwijzing. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom het economisch belang van Nederland zwaarder woog dan het familie- en gezinsleven van de vreemdelingen, met name omdat het ging om gezinshereniging met een vluchteling. De Raad van State oordeelde echter dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op deze familieleden (broers, zussen en ouders) en dat de staatssecretaris een ruime beoordelingsmarge heeft bij de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De staatssecretaris had alle relevante belangen afgewogen, waaronder het feit dat de referent een uitkering ontvangt, de vreemdelingen zelf geen inkomen hebben en mogelijk een beroep doen op medische voorzieningen. Ook had hij meegewogen dat de vreemdelingen sterke banden met Pakistan behouden. De Raad van State stelde vast dat de staatssecretaris deze belangen deugdelijk had gemotiveerd en terecht zwaarder had gewogen dan de belangen van de vreemdelingen.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdelingen ongegrond.