ECLI:NL:RVS:2021:2631
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen schadevergoeding mijnbouwschade Groningen betreffende bewijsvermoeden en herstelmethodieken
De zaak betreft het hoger beroep van een woningbezitter tegen het Instituut Mijnbouwschade Groningen over de vergoeding van schade veroorzaakt door bodembeweging door gaswinning. De woning ligt boven het Groningenveld en vertoont nieuwe en terugkerende schades sinds een eerdere afwikkeling in 2013.
De Tijdelijke Commissie kende aanvankelijk een schadevergoeding toe, later overgenomen door het Instituut. Het Instituut stelde dat sommige schades (3,4,8) niet door mijnbouwactiviteiten waren veroorzaakt, maar door reguliere krimpscheuren. De rechtbank bevestigde dit oordeel, maar de appellant betwistte dit en voerde aan dat het bewijsvermoeden onvoldoende was weerlegd en dat herstelmethodieken voor andere schades ontoereikend waren.
De Raad van State oordeelt dat het bewijsvermoeden voor schades 4 en 8 niet voldoende is weerlegd, mede gelet op eerdere erkenning door de NAM en het schaderapport van Dekra uit 2013. Voor schades 3 en andere herstelmethodieken is het oordeel van het Instituut juist. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor schades 4 en 8 en bevestigd voor het overige. Het Instituut moet binnen 12 weken een nieuw besluit nemen over schades 4 en 8 en de proceskosten vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond voor schades 4 en 8; het Instituut moet een nieuw besluit nemen over deze schades en de proceskosten vergoeden.