ECLI:NL:RVS:2021:2689
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Nederlanderschap wegens gevaar voor openbare orde ondanks betoog bijzondere omstandigheden
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid weigerde appellant het Nederlanderschap op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, vanwege ernstige vermoedens dat appellant een gevaar vormt voor de openbare orde. Deze weigering was gebaseerd op een onherroepelijke veroordeling tot een werkstraf wegens een opiumdelict.
Appellant voerde aan dat hij bijzondere omstandigheden had die een afwijking van het beleid rechtvaardigen, zoals zijn inzet in de zorgsector sinds het strafbare feit, en dat de rechtbank ten onrechte geen rekening had gehouden met artikel 4:84 van Pro de Awb. Tevens stelde hij dat de rechtbank onterecht de schending van de hoorplicht had gepasseerd, wat volgens hem het recht op een eerlijk proces aantastte.
De Afdeling oordeelde dat het hanteren van de rehabilitatietermijn van vier jaar niet onredelijk is en dat de staatssecretaris terecht geen bijzondere omstandigheden aannam die tot afwijking van het beleid noodzaken. Ook werd geoordeeld dat de rechtbank terecht het gebrek aan hoorzitting in de bezwaarfase heeft gepasseerd, omdat appellant onvoldoende concrete belangen had aangevoerd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering van het Nederlanderschap bevestigd.