ECLI:NL:RVS:2021:2821
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- G.M.H. Hoogvliet
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete opgelegd voor overtredingen bij asbestverwijderingswerkzaamheden
Appellante voerde werkzaamheden uit voor asbestverwijdering waarbij volgens de inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid onvoldoende preventieve en bronmaatregelen waren getroffen om verspreiding van asbestvezels te voorkomen. Tevens was de kraanmachinist niet in het bezit van het vereiste certificaat vakbekwaamheid. De staatssecretaris legde daarop een bestuurlijke boete van in totaal €8.100,- op, waarvan €2.700,- voor het niet toepassen van voldoende maatregelen en €5.400,- voor het ontbreken van het certificaat.
Appellante maakte bezwaar tegen de boete en voerde onder meer aan dat het boeterapport niet rechtsgeldig was ondertekend, dat de werkmethoden correct waren ingericht en dat er geen asbeststof was vrijgekomen. Ook betwistte zij de bewijskracht van de verklaring van de kraanmachinist. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Afdeling oordeelde dat de identiteit van de opsteller van het boeterapport onomstotelijk was vastgesteld en dat de staatssecretaris aannemelijk had gemaakt dat het digitale ondertekeningssysteem betrouwbaar was. Verder stelde de Afdeling vast dat appellante niet voldeed aan de inspanningsplicht om asbestemissie te voorkomen, omdat het werkplan niet volledig werd nageleefd en er geen asbeststofzuigers werden gebruikt. De verklaring van de kraanmachinist werd ondersteund door andere bewijsmiddelen, zodat ook het ontbreken van het certificaat was bewezen.
De Afdeling concludeerde dat de staatssecretaris bevoegd was de boete op te leggen en dat de opgelegde boete terecht was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bestuurlijke boete van €8.100,- wordt bevestigd.