ECLI:NL:RVS:2021:440
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging huisverbod wegens ernstig en onmiddellijk gevaar voor veiligheid gezin
De burgemeester van Rotterdam legde op 4 maart 2020 een huisverbod op aan appellant voor tien dagen, naar aanleiding van een geweldsincident in zijn woning waarbij zijn partner en kinderen aanwezig waren. Het huisverbod was gebaseerd op een Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld en de constatering dat vaker geweld tussen appellant en zijn partner had plaatsgevonden. Op de dag van het incident sloeg appellant met zijn hoofd een ruit van de balkondeur kapot, waarbij hijzelf, zijn partner en hun dochter gewond raakten.
Appellant stelde dat het geweld niet gericht was op zijn partner en dat de vrees voor verder fysiek geweld niet aannemelijk was, en betoogde dat het huisverbod daarom onterecht was opgelegd. Ook voerde hij aan dat het gevaar was geweken door de aanvang van hulpverlening en dat het contactverbod in strijd was met het EVRM en het IVRK.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het huisverbod een ingrijpende maatregel is die alleen kan worden opgelegd bij ernstig en onmiddellijk gevaar of een ernstig vermoeden daarvan. Gelet op het incident en de verwondingen was er sprake van een acute noodzaak tot afkoeling en escalatiepreventie. De rechter toetst terughoudend de afweging van de burgemeester en concludeerde dat het huisverbod terecht was opgelegd. De aanvang van hulpverlening was onvoldoende om het huisverbod op te heffen, omdat nog geen veiligheidsafspraken waren gemaakt. Het betoog over strijd met het EVRM en IVRK faalde wegens gebrek aan nadere onderbouwing.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het huisverbod van tien dagen is terecht opgelegd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.