ECLI:NL:RVS:2021:684
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging duurzame relatie bij naturalisatie
Appellant diende in 2015 een verzoek in tot verlening van het Nederlanderschap, terwijl hij een verblijfsvergunning had onder de beperking 'verblijf bij partner A'. Het verzoek werd ingewilligd in 2016. Later bleek dat appellant sinds 2011 een duurzame relatie onderhield met partner B, wat hij bij zijn naturalisatieverzoek niet had gemeld. De staatssecretaris trok daarop het Nederlanderschap in, omdat het verzwijgen van deze relatie twijfel opriep over de duurzaamheid en exclusiviteit van de relatie met partner A, wat relevant was voor zijn verblijfsrechtelijke status.
Appellant voerde aan dat hij niet wist dat hij deze relatie moest melden en dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgronden over verblijfsrechtelijke aspecten niet had meegewogen. Ook stelde hij dat zijn recht om gehoord te worden was geschonden doordat hij niet fysiek aanwezig kon zijn bij de zitting. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht direct uitspraak deed en dat appellant niet in zijn belangen was geschaad. De verblijfsrechtelijke aspecten waren niet relevant voor de intrekking van het Nederlanderschap, die op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap plaatsvond.
Verder werd geoordeeld dat appellant wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de relatie met partner B relevant was en dat de staatssecretaris een deugdelijke evenredigheidsafweging had gemaakt. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat appellant geen willekeur had gesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap bevestigd.