ECLI:NL:RVS:2022:3231
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap en verblijfsvergunning wegens verzwegen relatie en fraude
Appellant kreeg in 2013 een verblijfsvergunning als familielid van gemachtigde en verkreeg in 2018 het Nederlanderschap. Later bleek dat appellant geen duurzame en exclusieve relatie had met gemachtigde, maar sinds 2014 een relatie met echtgenote had verzwegen. De staatssecretaris trok daarop het Nederlanderschap en de verblijfsvergunning in, legde een terugkeerbesluit en inreisverbod op.
Appellant voerde aan dat de intrekking onterecht was vanwege onvoldoende bewijs, schending van privacy en het ontbreken van een belangenafweging. De rechtbanken oordeelden echter dat de staatssecretaris terecht nieuwe bewijsstukken gebruikte, waaronder politieprocessen-verbaal, en dat appellant geen duurzame relatie met gemachtigde had. Ook was sprake van het verzwegen van relevante feiten.
De Raad van State bevestigde dat de intrekking niet disproportioneel was, mede gelet op het Europese evenredigheidsbeginsel en het ontbreken van concrete belangen van appellant als Unieburger. De intrekking van het Nederlanderschap en de verblijfsvergunning werd bevestigd, evenals het terugkeerbesluit en het inreisverbod.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap en de verblijfsvergunning van appellant wordt bevestigd.