ECLI:NL:RVS:2019:852
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens niet-naleving last bij pand in Rotterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde op 23 augustus 2016 een last onder dwangsom op aan appellant voor het treffen van maatregelen aan zijn pand. Na een verlenging van de termijn tot 1 november 2016 constateerde het college op 2 november dat appellant niet volledig aan de last had voldaan en vorderde een dwangsom van €10.000.
Appellant stelde dat de hoorplicht in de bezwaarprocedure was geschonden en dat hij door het ontbreken van een hoorzitting benadeeld was. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht was geschonden, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe omdat appellant zijn standpunten alsnog schriftelijk en mondeling had kunnen toelichten. De Afdeling bevestigt dit oordeel en acht de schending niet benadelend.
Verder voerde appellant aan dat bijzondere omstandigheden, zoals gedeeltelijke uitvoering van maatregelen en zijn financiële situatie, invordering van de dwangsom in de weg stonden. De rechtbank en de Afdeling oordeelden dat het belang van invordering zwaarwegend is en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat is de dwangsom te betalen. Het verzoek om uitstel na het invorderingsbesluit was onvoldoende.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De invordering van de dwangsom van €10.000 wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.