ECLI:NL:RVS:2022:833
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens inwoning en ontbreken zelfstandige woonruimte
De zaak betreft het hoger beroep van een vrouw die een urgentieverklaring voor woningtoewijzing had aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, maar deze aanvraag werd afgewezen omdat zij bij haar moeder inwoont en geen zelfstandige woonruimte heeft. De vrouw woont sinds 2012 bij haar moeder, beiden hebben een verstandelijke beperking, en zij heeft een dochter die extra zorg nodig heeft.
Het college wees de aanvraag af op grond van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 en de Beleidsregel urgentieverklaringen 2019, die bepalen dat geen urgentieverklaring wordt verleend aan personen die inwonen bij een ander huishouden of in een onzelfstandige woonruimte verblijven. De rechtbank verklaarde het beroep van de vrouw ongegrond, en de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt deze uitspraak.
De Afdeling oordeelt dat het beleid van het college om geen urgentieverklaring te verlenen aan inwonenden gerechtvaardigd is vanwege het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling en het voorkomen van stagnatie in de woningmarkt. De hardheidsclausule wordt niet toegepast omdat de situatie van de vrouw niet uitzonderlijk genoeg is en zij met hulp van instanties zichzelf weet te redden. Ook de beroepen op artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro worden verworpen, omdat het college de belangen van het kind voldoende heeft meegewogen en het recht op woonruimte niet rechtstreeks uit deze verdragen volgt.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring omdat de aanvrager bij haar moeder inwoont en geen zelfstandige woonruimte heeft.