ECLI:NL:RVS:2023:3854
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn huurtoeslag
De zaak betreft een geschil over de afwijzing van de huurtoeslagaanvraag van appellant over 2017 en 2018 door de Belastingdienst/Toeslagen. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar gegrond verklaarde, stelde de Belastingdienst/Toeslagen bij een nieuw besluit de huurtoeslag vast.
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, met name over de proceskostenvergoeding en de uitleg omtrent betalingsonmacht. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat appellant geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de betalingsonmacht, omdat de rechtbank al had vastgesteld dat appellant aan de criteria voldoet.
De Afdeling ging wel in op het betoog over de proceskostenvergoeding en oordeelde dat de rechtbank terecht het minimumtarief voor verletkosten heeft toegepast vanwege het ontbreken van bewijs voor hogere kosten. Tevens heeft de Afdeling vastgesteld dat het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden afgewezen, omdat de totale procedure binnen vier jaar is afgerond.
De Afdeling bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De Belastingdienst/Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn afgewezen.