ECLI:NL:RVS:2023:586
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De zaak betreft een boete van €32.000 opgelegd aan [appellante] wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunningen. De rechtbank had de boete gematigd tot €30.400 vanwege overschrijding van de redelijke termijn, maar stelde vast dat [appellante] als werkgever in de zin van de Wav kan worden aangemerkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het feitelijk werkgeverschap van [appellante] terecht is vastgesteld, ondanks het ontbreken van een privaatrechtelijk dienstverband. De boete is evenredig, maar moet worden gematigd naar 75% van het boetenormbedrag wegens grove schuld, resulterend in een totaal van €24.000. De rechtbank heeft de boete terecht met 5% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister over de hoogte van de boete, stelt de boete definitief vast op €22.800 en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde gedeelte van het besluit.
Uitkomst: De boete wordt definitief vastgesteld op €22.800 met matiging wegens grove schuld en overschrijding redelijke termijn.