ECLI:NL:RVS:2024:4502
Raad van State
- Hoger beroep
- N.H. van den Biggelaar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging handhavingsbesluiten bewoning bedrijfspand wegens overgangsrecht en onrechtmatigheid
Het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem legde op 27 augustus 2019 aan [appellant A] en [appellant B] last onder dwangsom op om de bewoning van een bedrijfspand in Leimuiden te beëindigen en het pand terug te brengen in de oorspronkelijke staat. De besluiten werden door de rechtbank Den Haag bevestigd, maar in hoger beroep vernietigt de Afdeling bestuursrechtspraak deze uitspraken.
De Afdeling overweegt dat de bewoning van wooneenheid 2 onder het gebruiksovergangsrecht valt omdat deze al vóór de peildatum van het bestemmingsplan in 2013 bestond en niet meer dan een jaar is onderbroken. Daarom was het college niet bevoegd om tegen deze bewoning handhavend op te treden. Voor de andere wooneenheden en de verbouwing zonder vergunning was het college wel bevoegd tot handhaving.
De appellanten voerden verder aan dat bijzondere omstandigheden, het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en concreet zicht op legalisatie tot afzien van handhaving moesten leiden. De Afdeling verwerpt deze gronden omdat het algemeen belang bij handhaving zwaarder weegt, er geen gelijke gevallen ongelijk worden behandeld, en er geen concreet zicht op legalisatie was. De last was voldoende duidelijk en de begunstigingstermijn van twaalf weken niet onredelijk kort.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en het besluit van 27 augustus 2019 aan [appellant B], en gelast het college een nieuw besluit te nemen voor [appellant A]. Tevens veroordeelt zij het college tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de handhavingsbesluiten en herroept het besluit aan appellant B wegens toepassing gebruiksovergangsrecht en onvoldoende bijzondere omstandigheden.