ECLI:NL:RVS:2024:4661
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning en terugkeerbesluit vreemdeling
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over de afwijzing van een verblijfsvergunning en een aanvullend terugkeerbesluit voor een vreemdeling en haar minderjarige kinderen.
De vreemdeling heeft sinds 2012 meerdere verblijfsaanvragen ingediend, waarbij haar Congolese nationaliteit aanvankelijk werd betwijfeld vanwege inconsistenties en een taalanalyse die haar herkomst in Rwanda situeerde. In 2019 werd een aanvraag op grond van de Afsluitingsregeling afgewezen omdat de vreemdeling en haar kinderen niet continu beschikbaar waren voor vertrek.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2022 een nieuw besluit was dat niet zorgvuldig was voorbereid, met name omdat het beginsel van non-refoulement niet adequaat was beoordeeld en de vreemdeling niet tijdig was gehoord. Daarnaast stelde de rechtbank dat de minister had moeten afwijken van het beleid van de Afsluitingsregeling vanwege onevenredige gevolgen.
De Raad van State bevestigt dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2022 een nieuw besluit is en vernietigt dit besluit wegens onvoldoende zorgvuldigheid en het ontbreken van een hoorprocedure. Ten aanzien van de Afsluitingsregeling oordeelt de Raad dat de minister terecht vasthoudt aan het beleid en dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat er aanleiding was om daarvan af te wijken. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank over de Afsluitingsregeling wordt vernietigd en het beroep in die zaak alsnog ongegrond verklaard. De uitspraak over het terugkeerbesluit wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond voor het terugkeerbesluit en ongegrond voor de Afsluitingsregeling; het terugkeerbesluit wordt vernietigd en het beroep tegen de Afsluitingsregeling afgewezen.