Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres] , eiseres,
V-nummer: [v-nummer] ,
en haar drie minderjarige kinderen, [eiseres] ,
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
29 februari 2012. Op 16 januari 2012 heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 24 januari 2012, waarin eiseres tevens is opgedragen om Nederland onmiddellijk te verlaten. Dit besluit staat in rechte vast. Namens het oudste kind van eiseres is op 1 februari 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet, onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van de ‘Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen’. Deze aanvraag is afgewezen op
30 september 2019. In dit besluit is verwezen naar de eerdere aanzegging die eiseres heeft gekregen om Nederland onmiddellijk te verlaten en is tevens vermeld dat dit besluit ten aanzien van haar twee oudste kinderen moet worden aangemerkt als een terugkeerbesluit. In dit terugkeerbesluit is geen land bestemming geduid. In de aanhef van het besluit is vermeld dat de nationaliteit voor allen “onbekend, aangevoerd Eritrese” is. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend, althans dat hebben partijen niet aangegeven en blijkt ook niet uit het dossier. Eiseres en haar kinderen zijn nooit in het bezit geweest van een verblijfsvergunning.
14 augustus 2011 ononderbroken in Nederland gewoond. De kinderen van eiseres hebben vanaf hun geboorte ononderbroken in Nederland gewoond.
30 september 2019 vastgestelde terugkeerbesluiten. In de terugkeerbesluiten van de twee oudste kinderen is verwezen naar het op 30 september 2019 vastgestelde terugkeerbesluit. Ten aanzien van het jongste kind van eisers is niet eerder een terugkeerbesluit vastgesteld. De terugkeerbesluiten die eerder zijn vastgesteld dan de in deze procedure te toetsen terugkeerbesluiten staan in rechte vast. In alle te toetsen terugkeerbesluiten is Ethiopië aangemerkt als land van terugkeer.
Richtlijn 2008/115 verplicht niet tot beoordelen of een verblijfsrecht kan worden verleend.
nieuw terugkeerbesluitmoeten nemen. De rechtbank overweegt hierbij dat de rechtbank bekend is met de Afdelingsjurisprudentie waaruit volgt dat met een “
aanvullend terugkeerbesluit” zou kunnen worden volstaan. Het Hof heeft echter in haar arrest van 14 mei 2020 in de zaak FMS overwogen dat “de bevoegde nationale autoriteit, door het in een eerder terugkeerbesluit vermelde land van bestemming te wijzigen, een zo essentieel punt van dit terugkeerbesluit wijzigt dat deze autoriteit geacht moet worden een nieuw terugkeerbesluit in de zin van artikel 3, punt 4, van richtlijn 2008/115 te hebben vastgesteld” (arrest van het Hof van 14 mei 2020, FMS e.a., C-924/19 PPU en C- 925/19 PPU, ECLI:EU:C:2020:367, punten 115 en 116).)
een aanvullend terugkeerbesluitwil nemen omdat hij een ander derde land als land van terugkeer wil benoemen, verweerder wel eerst moet nagaan of dat andere derde land voldoet aan de in artikel 3, lid 3, van richtlijn 2008/115 genoemde vereisten en de terugkeer ook gericht kan zijn op dat derde land.
3. „terugkeer”: het proces waarbij een onderdaan van een derde land, vrijwillig gevolg gevend aan een terugkeerverplichting of gedwongen, terugkeert naar:
2024en dat dit terugkeerbesluit nog van kracht is en er voorts niet is gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van dit aanvullende terugkeerbesluit. De rechtbank neemt aan dat waar is verwezen naar een terugkeerbesluit van 30 september
2024, dit 30 september
2019moet zijn. Dit aanvullend vastgestelde terugkeerbesluit is echter onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende toereikend gemotiveerd. Verweerder dient dit oudste kind en eiseres in de gelegenheid te stellen om daadwerkelijk een zienswijze naar voren te brengen met betrekking tot het aanwijzen van een ander derde land. Dit vereist ook dat indien eiseres verklaart dat ze niet begrijpt waarom dit aanvullende terugkeerbesluit wordt opgelegd omdat haar zoon in Nederland is geboren en getogen, verweerder nader zal moeten onderzoeken, door bijvoorbeeld het stellen van méér vragen, of Ethiopië kan worden aangemerkt als land van terugkeer. De vaststelling van een terugkeerbesluit brengt immers niet alleen voor eiser de verplichting mee om zich naar dit derde land te begeven, maar ook de verplichting voor verweerder om de terugkeer op dat land te richten. Dit veronderstelt dat verweerder eerst nagaat of de aanwijzing van dit derde land als land van terugkeer wel tot daadwerkelijke verwijdering kan leiden. Anders dan in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, is immers de reden om een aanvullend terugkeerbesluit op te leggen dat concrete aanwijzingen bestaan dat terugkeer naar een ander derde land kan plaatsvinden. Dit vereist dat wordt onderzocht of sprake is van concrete aanwijzingen dat dit kan en dat dit ook in het terugkeerbesluit wordt gemotiveerd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 april 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:5971).
42 Voorts bevat deze richtlijn specifieke regels voor bepaalde categorieën personen, waaronder niet-begeleide minderjarigen, die blijkens artikel 3, punt 9, van richtlijn 2008/115 in de categorie „kwetsbare personen” vallen.
43 In die zin staat in artikel 5, onder a), van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met overweging 22 ervan, dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn rekening houden met het „belang van het kind”. Een niet-begeleide minderjarige mag dus niet stelselmatig als een volwassene worden behandeld.
44 Dat artikel 5, onder a), heeft tot gevolg dat wanneer een lidstaat voornemens is krachtens richtlijn 2008/115 een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een niet-begeleide minderjarige, hij in alle fasen van de procedure rekening moet houden met het belang van het kind.
45 Bovendien is in artikel 24, lid 2, van het Handvest bepaald dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen. Deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 51, lid 1, van het Handvest, bevestigt het fundamentele karakter van de rechten van het kind, mede in het kader van de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal in een lidstaat verblijven.
46 Zoals de advocaat-generaal in punt 69 van zijn conclusie heeft opgemerkt, maakt alleen een algemene en grondige beoordeling van de situatie van de niet-begeleide minderjarige het mogelijk te bepalen wat het „belang van het kind” is, en een besluit te nemen dat aan de vereisten van richtlijn 2008/115 voldoet.
47 Derhalve moet de lidstaat bij de beslissing omtrent de uitvaardiging van een terugkeerbesluit tegen een niet-begeleide minderjarige terdege rekening houden met meerdere aspecten, zoals de leeftijd, het geslacht, de bijzondere kwetsbaarheid, de fysieke en mentale gezondheid, het verblijf in een pleeggezin, het opleidingsniveau en de sociale omgeving van die minderjarige.
27. Article 3 (1) of the Convention on the Rights of the Child places an obligation on both the public and the private spheres, courts of law, administrative authorities and legislative bodies to ensure that the best interests of the child are assessed and taken as a primary consideration in all actions affecting children.
(…)
31. In order to implement the best interests principle in migration-related procedures or decisions that could affect children, the Committees stress the need to conduct systematically best-interests assessments and determination procedures as part of, or to inform, migration-related and other decisions that affect migrant children. As the Committee on the Rights of the Child explains in its general comment No. 14, the child’s best interests should be assessed and determined when a decision is to be made.
22 oktober 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:11524) en het in die procedure gewezen arrest van het Hof van 11 juni 2024 in de zaak K.L. (arrest van het Hof van 11 juni 2024 in de zaak K.L. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-646/21, ECLI:EU:C:2024:487).
66 Meer in het bijzonder dient met het oog op de beoordeling van het risico dat het betrokken kind, dat Unieburger is, gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten indien aan zijn ouder, die een derdelander is, een afgeleid verblijfsrecht in de betrokken lidstaat werd geweigerd, te worden bepaald of deze ouder de daadwerkelijke zorg voor het kind draagt en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding tussen hen bestaat. In het kader van deze beoordeling dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), waarbij dit artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, lid 2, van het Handvest erkende belang van het kind, dat samenvalt met het recht van dit kind om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, zoals neergelegd in artikel 24, lid 3, van het Handvest [zie in die zin arresten van 1 juli 2010, Povse, C‑211/10 PPU, EU:C:2010:400, punt 64, en 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C‑82/16, EU:C:2018:308, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30 september 2019 vastgestelde terugkeerbesluit in rechte vast. Uit de website van DT&V blijkt dat gedwongen terugkeer naar Eritrea niet mogelijk is. Eiseres en haar twee oudste kinderen beschikken niet over Eritrese identiteitsdocumenten en kunnen op dit moment niet aan hun terugkeerverplichting doen. Daargelaten de formele belemmering om het op
30 september 2019 vastgestelde terugkeerbesluit uit te voeren, zal verweerder moeten nagaan of het van eiseres en haar twee oudste kinderen kan worden verwacht dat zij voldoen aan het terugkeerbesluit, terwijl het jongste kind geen terugkeerplicht heeft doordat de rechtbank alle op 24 oktober 2024 (aanvullend) vastgestelde terugkeerbesluiten vernietigt.